Leermiddelen Adviescentrum

- CLU geeft advies en trainingen, doet onderzoek naar leermiddelen

Leerstijlkenmerken van digitale leermiddelen en het effect op leerprestaties van jongens en meisjes

Hoe komt het dat jongens in toenemende mate minder presteren op school? Welke factoren spelen daarbij een rol? Het CLU deed in opdracht van Kennisnet een onderzoek naar leerstijlkenmerken van digitale leermiddelen om een antwoord te vinden op deze vragen.

Jongens haken af
Scholen voor voortgezet onderwijs zien zich in toenemende mate geplaatst voor de opgave hoe om te gaan met de complexiteit en heterogeniteit van de leerlingenpopulatie. Een van de constateringen daarbij is dat jongens het overwegend minder goed doen op school dan meisjes. Jongens zijn oververtegenwoordigd in het vmbo, meisjes in het vwo. Jongens verlaten vaker dan meisjes vroegtijdig de school zonder diploma. Jongens blijven vaker zitten dan meisjes. Het afstroompercentage bij jongens is hoger dan van meisjes.

Sluiten leermiddelen wel aan bij de leerstijl van de meeste jongens?

Over de oorzaken van bovengenoemde verschijnselen lopen de meningen uiteen. Een van de genoemde oorzaken betreft een verschil in de manier waarop (de meeste) meisjes en (de meeste) jongens leren. Het idee bestaat dat in het huidige voortgezet onderwijs een meisjesachtige leerstijl beter bediend wordt dan een jongensachtige leerstijl. Zo zou bijvoorbeeld een stap-voor-stap uitleg beter bij meisjes passen en een trial-and-error-aanpak beter bij jongens.

Onderzoeksvraag
De vraag is of de opdrachten in methodes vaker een beroep doen op een meisjesachtige dan op een jongensachtige leerstijl. En of dat effect heeft op de leerprestaties van jongens respectievelijk meisjes.
Om deze vragen te beantwoorden heeft het CLU in opdracht van Kennisnet een onderzoek uitgevoerd. De probleemstelling van het onderzoek luidde:
Wat is het effect van leerstijlkenmerken van digitale leermiddelen op de leerprestaties van jongens en meisjes?

Om dit te onderzoeken kregen zo’n 150 leerlingen uit het 4e leerjaar van het VWO opdrachten aangeboden uit de biologiemethode 10 voor Biologie. Daarbij waren zowel opdrachten die meer een beroep deden op een jongensachtige als op een meisjesachtige leerstijl.

Presteren jongens beter na het maken van ‘jongensachtige’ opdrachten?
In dit onderzoek hebben we willen achterhalen of jongens beter presteren dan meisjes na het maken van jongensachtige opdrachten, en of meisjes beter presteren dan jongens na het maken van meisjesachtige opdrachten. Hoewel de resultaten van het onderzoek die verschillen inderdaad in de verwachte richting laten zien, zijn deze niet significant gebleken. Ook wanneer we de resultaten uitsplitsen naar de drie cognitieve niveaus van Bloom (kennis, inzicht en toepassing) bleven significante verschillen uit.
Thema en leerstijl bleken evenmin van significante invloed te zijn. Klas en school echter wel. Sommige scholen boekten significant meer vooruitgang dan andere. Dat gold ook voor sommige klassen. Telkens bleek de score op de voortoets de meest significante voorspeller van de score op de natoets te zijn.

Meisjes memoriseren graag en jongens houden van kritisch verwerken
Wel blijkt uit de analyses dat er significante verschillen zijn in leervoorkeuren tussen meisjes en jongens als het om de leervoorkeur memoriseren gaat. Meisjes blijken significant vaker memoriseren toe te passen. Dit is geheel in lijn met de verwachtingen. Ook blijkt dat op de helft van de items kritisch verwerken de jongens significant hoger scoren dan de meisjes. Ook dit is in lijn met de verwachtingen. Beide analyses geven een indicatie dat de jongens uit onze steekproef in ieder geval ten dele een jongensachtige leerstijl hebben en de meisjes een meisjesachtige. Zoals we echter eerder hebben gezien hebben geslacht noch leerstijlkenmerk een significante invloed op de leerresultaten van het maken van jongensachtige resp. meisjesachtige opdrachten.

Te weinig ‘jongensachtige’ opdrachten in leermateriaal
Er zijn daarnaast twee opvallende conclusies getrokken die mogelijk kunnen verklaren waarom de te verwachten effecten niet zijn opgetreden. De eerste is dat het nauwelijks mogelijk is gebleken om typisch jongensachtige opdrachten te selecteren. De meeste opdrachten zijn typisch meisjesachtig, dan wel een mix van meisjes-en jongensachtig.

‘Jongensachtige’ opdrachten worden door docenten meer ‘meisjesachtig’ gemaakt
Daarnaast bleek dat de meisjesachtige opdrachten vaker conform de instructies zijn uitgevoerd dan de jongensachtige opdrachten. Dat komt mede doordat enkele jongensachtige opdrachten organisatorisch en plannings-technisch ingewikkeld(er) zijn. Hierdoor is mogelijk het verwachte effect aangetast. Daarnaast is bij de jongensachtige opdrachten geregeld extra stof behandeld, bij de meisjesachtige opdrachten niet; docenten hebben daardoor de jongensachtige opdrachten mogelijk meer meisjesachtig gemaakt.

Hierdoor kan het zijn dat de toch al niet al te grote verschillen tussen jongensachtige en meisjesachtige opdrachten nog verder zijn verkleind. Met andere woorden: het zou wel eens zo kunnen zijn dat zelfs de weinige typisch jongensachtige opdrachten die er zijn, door docenten in de uitvoering vervolgens klassikaal voorzien worden van meisjesachtige kenmerken, zoals het extra behandelen van theorie (lees: luisteren en lezen).

Het gehele rapport downloaden
Leerstijlenonderzoek