Leermiddelen Adviescentrum

- CLU geeft advies en trainingen, doet onderzoek naar leermiddelen

Leerlingsturing versus computersturing: wat is beter voor wie?

Hoe sterk mag een computer sturen, en hoeveel vrijheid moet een leerling krijgen in een adaptief programma? De theorie: sterke leerlingen hebben profijt van vrijheid en zwakke leerlingen van sturing. Klopt dat ook? Renate van der Donk, die haar afstudeeronderzoek deed bij het CLU, onderzocht het.

Onderwijs is in de afgelopen decennia steeds individualistischer geworden: steeds meer proberen we de lessen aan te passen aan de leerbehoeften van de individuele leerling. Deze individuele benadering blijkt beter te werken dan een algemene benadering zoals bijvoorbeeld een klassikale les (Hattie, 2008). Slimme computerprogramma’s kunnen dit soort individuele instructie bieden: de computer kan bijvoorbeeld de moeilijkheid van oefeningen aanpassen aan het niveau van de leerlingen, op basis van eerdere antwoorden. Of – idealiter – instructie en hulp bieden als leerlingen vast zitten. De computer heeft dan de controle (computer- of programmagestuurd). Maar werkt dit wel goed? Of is het beter als leerlingen zelf bepalen welke oefeningen ze maken en of ze instructie krijgen (leerlinggestuurd)? Of hangt dat van de leerling af?

Computergestuurd of leerlinggestuurd

Het voordeel van computergestuurde programma’s is dat ze de leerling ontlasten: als een leerling voortdurend moet kiezen kan dit tot overbelasting van het werkgeheugen leiden, waardoor de leerling minder goed leert. Maar het kan ook frustrerend zijn voor leerlingen als ze niet zelf mogen beslissen hoe en wat ze leren. Keuzevrijheid is belangrijk om gemotiveerd te blijven. En er is onderzoek dat laat zien dat controle door de leerling een klein positief effect heeft op de leeruitkomsten. Een nadeel van keuzevrijheid is echter dat leerlingen niet altijd de goede keuzes maken: ze maken te makkelijke of te moeilijke opdrachten of slaan (saaie) instructie over bijvoorbeeld. Dit is vooral een risico bij onervaren leerlingen en leerlingen met minder ontwikkelde metacognitieve vaardigheden. Daarnaast is er het risico van een te grote belasting van het werkgeheugen door alle keuzes die er te maken zijn.

Het onderzoek: succesvolle en onsuccesvolle leerlingen

Op basis van de theorie kun je verwachten dat ‘goede’ leerlingen het meest profiteren van programma’s met veel keuzevrijheid: zij kunnen omgaan met de vrijheid en profiteren van de extra motivatie door zelf te mogen kiezen. ‘Zwakkere’ leerlingen kunnen misschien beter een computergestuurd programma gebruiken: dan hoeven ze niet zelf te kiezen, wat voor extra belasting voor het werkgeheugen zorgt, en krijgen ze passend aanbod. Klopt dat?

Om dat te onderzoeken werden tachtig leerlingen verdeeld over twee gelijke groepen. Iedere leerling werkte gedurende drie weken viermaal per week een kwartier met ofwel een computergestuurd programma (Taalzee), ofwel een leerlinggestuurd oefenprogramma (Ambrasoft). Ervoor en erna werd getoetst met CITO-toetsen die gingen over de geoefende stof.

Geen verschillen

Uit het onderzoek blijkt, verrassend genoeg, dat er geen significante verschillen zijn. Goede leerlingen leerden niet meer van het leerlinggestuurde programma dan van het computergestuurde programma. En zwakke leerlingen leerden niet meer als ze een computergestuurd programma gebruikten. Hoe dat komt, dat is niet duidelijk. Uit gesprekken blijkt dat leerlingen het computergestuurde programma soms saai vinden, en soms te makkelijk, soms juist te moeilijk. Het programma met keuzevrijheid vinden ze leuker, maar ze slaan instructie en moeilijke vragen soms wel over.

Betekenis van het onderzoek

De ontwikkeling van digitale adaptieve programma’s staat in de kinderschoenen, dat blijkt ook uit de reacties van de leerlingen op de niet altijd goed werkende programma’s. De meeste computergestuurde programma’s sturen aan de hand van algoritmes op niveau en geven nauwelijks feedback. Om meer zicht te krijgen op welke leerlingen profiteren van digitale adaptieve programma’s is meer onderzoek nodig met betere programma’s. Met behulp van een prototype dat zo goed mogelijk voldoet aan alle kenmerken van leerzaamheid van leermiddelen, kan onderzocht worden wat goede en zwakke leerlingen het best ondersteunt bij hun leerproces.

Meer informatie

Renate van der Donk, “Adaptiviteit versus adaptatie in digitale leermiddelen: het effect op de leeruitkomsten. De invloed van programma- en leerling-controle binnen digitale leermiddelen op de leeruitkomsten van succesvolle en niet-succesvolle leerlingen”. Universiteit Utrecht, masterscriptie, juni 2016.