Slechts een derde van de basisschoolleerlingen haalt bij rekenen het streefniveau 1S. Of en hoe lesmethodes bijdragen aan deze matige resultaten, wordt nauwelijks onderzocht. Wel weten we dat vrijwel het hele onderwijs sterk leunt op de methode. Onderzoek naar kwaliteit en effectiviteit van methodes is dus hard nodig.

De Onderwijsinspectie heeft onlangs onderzocht hoe het gesteld is met het rekenniveau van basisschoolleerlingen. De bevindingen waren niet geruststellend: slechts een derde van de leerlingen in het basisonderwijs haalt het streefniveau 1S. De Onderwijsinspectie geeft drie verklaringen daarvoor: er gaat te weinig aandacht naar leerlingen die de lesstof snel onder de knie hebben, het ambitieniveau van leraren is te laag, en de lesmethodes zijn niet altijd even adequaat.

Lesmethodes

De oplossing wordt gezocht in het aanstellen van een rekencoördinator en meer aandacht voor goed rekenonderwijs op de pabo. De PO-raad onderschrijft dat hogere kwaliteit inderdaad bereikt kan worden door een hogere ambitie. De raad pleit voor meer evidence-informed onderwijs: het moet zichtbaarder worden op welke manier de inhoud van lesmethoden bijdraagt aan het behalen van een bepaald niveau.

Het is onduidelijk of het begrip ‘lesmethoden’ dat zowel de Onderwijsinspectie
als de PO-raad gebruiken, slaat op de manier van lesgeven van leerkrachten of dat de papieren of digitale methodes van uitgeverijen worden bedoeld. Het is hoe dan ook duidelijk dat onderzoek nodig is naar de kwaliteit van beide. Want ruim 90% van de leraren in Nederland geeft aan dat de methode de primaire bron is voor hun lessen. Verder weten we uit het basisonderwijs dat minimaal tachtig procent van de leraren meer dan negentig procent van de methode volgt. En uit een overzichtspublicatie van de Kennisrotonde (2021) blijkt dat er aanwijzingen zijn dat de kwaliteit van de methode effect heeft op de leerprestaties.

Compenseren

Uit diezelfde publicatie wordt ook duidelijk hoe weinig onderzoek er tot nu toe is verricht naar de kwaliteit en de effectiviteit van methodes, zeker in Nederland. Het weinige onderzoek dat er is verricht geeft wel aan ‘dat de methode ertoe doet’: “Zo bleek uit een analyse van TIMMS-data over Belgische basisschoolleerlingen dat één methode over de hele linie betere leerprestaties gaf dan alle andere.” En er zijn enige aanwijzingen dat juist zwakkere rekenaars daar sterker door beïnvloed worden: “Het is dus belangrijk dat leraren in staat zijn, of worden gesteld om die accenten in een methode te herkennen, zodat ze ervoor kunnen compenseren”. Hier ligt ongetwijfeld een taak voor de lerarenopleidingen.

Daarbij zal het hard nodig zijn dat er meer onderzoek wordt gedaan naar de kwaliteit en de effectiviteit van methodes. En dat de resultaten van dergelijk onderzoek beschikbaar komen in een onafhankelijk landelijk informatieplatform.

Bronnen

Onderwijsinspectie: Peil Rekenen en Wiskunde, april 2021.

Kennisrotonde. (2021). Met welke wiskundemethode halen havoleerlingen de beste eindexamenresultaten? (KR. 1068). Den Haag: Kennisrotonde.