De afgelopen maanden hebben leerlingen, leraren en ouders gewild of ongewild kennisgemaakt met digitale leermiddelen. Vermoedelijk zullen scholen ook in de komende maanden vaker digitale leermiddelen in blijven zetten in het onderwijs. Hoe valt te bepalen of een digitaal leermiddel goed is voor leerlingen? We hebben een aantal criteria die specifiek gelden voor digitale leermiddelen op een rijtje gezet en zijn benieuwd naar jullie ervaringen met digitale middelen. Wat werkt?

Digitale leermiddelen bieden mogelijkheden die papieren leermiddelen niet bieden. Zo kan een digitaal programma direct feedback geven aan een leerling, het aanbod aanpassen en (bewegend) beeld gebruiken. Maar het maakt nogal uit hoe deze mogelijkheden worden uitgewerkt.

Adaptiviteit en feedback

Zo worden veel leermiddelen adaptief genoemd, maar die adaptiviteit is vaak niet meer dan dat een programma de leerling eenvoudiger opdrachten laat maken (stapje terug) of wat moeilijkere opdrachten (stapje omhoog). Dat is een versimpeling van adaptiviteit. Bij werkelijke adaptiviteit verzamelt het programma via een diagnostische toets informatie over wat de leerling al kan. Vervolgens geeft het programma hints wat de leerling kan gaan doen en biedt het instructie die nodig is om verder te kunnen. Een goed adaptief programma biedt vervolgens oefeningen en opdrachten en ten slotte de mogelijkheid om aan het eind een toets te maken waarmee de leerling bepalen of de leerdoelen bereikt zijn en wat er nog te leren is.

Nog een voorbeeld: een programma waarbij de feedback alleen maar aangeeft of een antwoord goed of fout is, heeft weinig meerwaarde. Feedback is effectiever als de leerling ziet waarom een antwoord goed of fout is. Nog beter is het als de leerling door de feedback aangezet wordt om zelf tot de juiste oplossing te komen. Dit kan door het geven van hints of door extra instructie. Ook is het effectiever als de leerling direct de feedback krijgt en niet pas na een hele taak.

Het gaat steeds om een uitgebalanceerde combinatie van wat het programma doet, wat de leerling doet en welke begeleiding er van de leerkracht nodig is. Voor leerlingen is het belangrijk dat ze keuzes kunnen maken, dit vergroot hun gevoel van autonomie en dit verhoogt de motivatie om door te gaan met de taak. Voor leerkrachten is het belangrijk dat ze het proces goed kunnen volgen en waar nodig extra instructie kunnen geven.

Filmpjes

Filmpjes, animaties en plaatjes kunnen ook meerwaarde geven. Ze kunnen de leerstof representeren en verduidelijken. Het is dan wel essentieel om het juiste beeld te kiezen. In veel leermiddelen zie je nog te veel beeld dat bedoeld is om het geheel op te leuken. En juist deze (bewegende) beelden kunnen ervoor zorgen dat het werkgeheugen onnodig belast wordt. Hoe herken je een juist gebruik van beeld? Daarbij gaat het bijvoorbeeld om plaatjes die het best passen bij de onderwerpen in de leerstof en die daarmee bijdragen aan het bereiken van het leerdoel. Of om een kijkopdracht bij een filmpje.

Criteria voor digitale leermiddelen

Hieronder werken we de criteria voor digitale leermiddelen in detail uit. Alle criteria komen uit onze MILK, een instrument voor het beoordelen van de leerzaamheid van leermiddelen, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. We zijn benieuwd naar jullie reacties op de criteria. Zijn ze hanteerbaar, herkenbaar en bieden ze handvatten? Of heeft u vragen? We horen het graag!

Kwaliteit van de leerstof

Ordening

  • De samenhang tussen de leerstofonderdelen van het thema is gevisualiseerd.

Modaliteiten

  • Geschreven teksten zijn ondersteund door plaatjes.
  • Er is een duidelijke samenhang tussen geschreven tekst en plaatjes.
  • Het verwerken van de leerstof vraagt om het gebruik van verschillende zintuigen.
  • Alle gebruikte tekst is functioneel (overbodige tekst is vermeden).
  • Alle gebruikte plaatjes/filmpjes zijn functioneel (overbodig beeld is vermeden).
  • Al het gebruikte geluid is functioneel (overbodig geluid is vermeden).
  • Geschreven tekst en bijbehorend plaatje staan op hetzelfde scherm.
  • Feedback verschijnt op hetzelfde scherm als de vragen en antwoorden.
  • Er zijn duidelijk geformuleerde instructieteksten geschikt om van scherm te lezen.
  • Leerteksten kunnen uitgeprint worden zodat ze van papier te kunnen bestuderen.

Kwaliteit van de didactiek

Didactische strategieën

  • Een nieuw thema start met een advance organizer/mindmap.
  • De leerling kan zelf het instapniveau kiezen.
  • De leerling kan zelf de volgorde van de leertaken/opdrachten kiezen.
  • De leerling kan zelf toetsmomenten inlassen.
  • De leerling kan zelf bepalen hoe lang hij/zij over een leertaak/opdracht doet.
  • De leerling kan zelf bepalen of hij/zij gebruik wil maken van de geboden hulpmiddelen.
  • Het programma registreert de antwoorden van de leerling.
  • Het programma past op basis van de antwoorden waar nodig de instructie aan.
  • Het programma adviseert of stuurt de leerling op grond van de gegeven antwoorden.
  • Het programma adviseert of stuurt door naar een uitdagend vervolg.
  • De feedback laat zien waarom de antwoorden goed of fout zijn.
  • Het gebruik van slechts goed/fout feedback is vermeden.
  • Bij open vragen/opdrachten zijn mogelijke uitwerkingen te raadplegen.
  • Er is sprake van directe feedback.

Werkvormen en opdrachten

  • Er is variatie in werkvormen waarbij verschillende zintuigen ingezet moeten worden.
  • Er is variatie in talige en niet-talige opdrachten.
  • Waar nodig zijn schrijfkaders gegeven.
  • Waar nodig zijn grafische formats gegeven.

Metacognitie

  • Er zijn diagnostische toetsen waarmee de leerling kan zien wat hij/zij al kan.
  • Er zijn tools om de leerling tijdens het leerproces te ondersteunen.
  • De navigatie van het programma ondersteunt het leerproces.
  • Er zijn eindtoetsen waarmee de leerling na kan gaan of de doelen bereikt zijn.

Kwaliteit van design en presentatie

Beelden

  • Het is voor de leerling duidelijk wat de bedoeling van een plaatje is.
  • Er is functioneel gebruik gemaakt van plaatjes.
  • De illustratie weerspiegelt de essentie van de tekst.
  • Decoratieve plaatjes zijn zoveel mogelijk vermeden.
  • De plaatjes zijn voorzien van functionele bijschriften.
  • Er is afwisseling in realistische en abstracte illustraties.
  • Filmpjes worden voorafgegaan door een kijkopdracht.
  • Filmpjes ondersteunen op een functionele manier de leerteksten.

Vormgeving

  • De vormgeving is rustig en overzichtelijk.
  • Er is contrast tussen de tekstkleur en de achtergrondkleur.
  • Het gebruik van kleuren, symbolen en icoontjes is functioneel.
  • De schermindeling geeft een overzichtelijke indruk.
  • De indeling van de pagina helpt bij het structureren van de informatie.
  • Voor de leerling is duidelijk in welk deel van het materiaal hij/zij zich bevindt.